Rb. Rotterdam 29 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4960

Summary in English Rail accident. CIM/Title 8.18 Dutch Civil Code (DCC). Mandatory liability regime for rail transport leaves room to compensate other damage than damage pursuant to loss of or damage to the goods. Analogous application of Dutch Supreme Court’s rulings in Cargofoor/RTT and Transfennica to rail carriage. A train with five wagons containing extremely poisonous and highly flammable acrylonitrile derails near Wetteren (Belgium), because switches were crossed at a speed double the allowed maximum after the engine driver ‘missed’ a warning sign. A large fire, risk of explosion, environmental polution and evacuations follow; one person dies. DSM, that produced the hazardous cargo and that instructed DB Schenker to carry it, offers assistance and assists in the clean-up operation. DSM claims compensation from contractual carrier DB Schenker BTT and actual carrier/substitute carrier DB Schenker NL. DSM claims compensation for the lost wagons, of the clean-up costs and of all further damage suffered as a consequence of the incident. It also demands that DB Schenker indemnify DSM from claims made by third parties. DB Schenker puts forward the defence that no other damages than those foreseen in CIM/Title 8.18 DCC may be claimed, because pursuant to articles 30 and 41 CIM/articles 8:1578 and 1587 DCC further actions in respect of liability, on whatever grounds, are excluded. On rail carriage from Geleen (the Netherlands), through Belgium, to Hoek-Terneuzen (the Netherlands) Cotif-CIM does not compulsorily apply. CIM does apply as the regime chosen in the contract. The contract also contains a choice of law clause providing for the application of Dutch law. For extracontractual claims – claims not based on the contract of carriage – application of the Rome II Regulation leads to the applicability of Dutch law. For the damage resulting from the loss of the wagons – that were part of the cargo offered for transport as recorded in the consignment note – DB Schenker BTT as carrier and DB Schenker NL as substitute carrier are liable. DB Schenker NL will be ordered to pay these damages because DSM – that was by law allowed to bring a claim either against the carrier or the substitute carrier - primarily claims them from DB Schenker NL. The mandatory liability regime for rail transport does not preclude further damages being awarded. The Court sees no reason to deviate in rail transport cases from the reasoning of the Dutch Supreme Court with respect to the CMR for road transport cases (rulings of 15 April 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 (Cargofoor/RTT) and 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3624 (Transfennica)). The regime laid down in Title III CIM/section 3 of Title 8.18 DCC, taking into account also their headings (“Liability”), construction and contents, only regard the liability for loss or damage resulting from the total or partial loss of, or damage to, the goods between the time of taking over of the goods and the time of delivery and for the loss or damage resulting from the transit period being exceeded. It is with a view to that liability that the final articles of those sets of rules stipulate that actions in respect of liability, on whatever grounds, may only be brought subject to the conditions and limitations laid down in CIM and Title 8.18 DCC respectively. For the clean-up costs made and other damage suffered by DSM as a result of the accident DB Schenker NL is liable because the accident was caused by faults of the engine driver who was fulfilling his duties in its service, and DB Schenker BTT is liable because DB Schenker NL was performing its activities in the conduct of DB Schenker BTT’s business and under its direction, with the proviso however that where certain damage must be qualified as damage resulting from loss of or damage to the goods or from exceeded transit time, DB Schenker is not liable for such damage beyond the limits imposed by CIM/Title 8.18 DCC. The clean-up costs have a sufficient causal connection with the rail accident. By offering its specialist help DSM did not unnecessarily incur costs but took its social responsibility. It would from a legal point of view be unacceptable to leave the costs thereof for DSM’s own account because it would thus have ‘contributed to the damage’. Spoorwegongeval. CIM/Titel 8.18 BW. Dwingend spoorvervoerregime laat ruimte voor vergoeding van andere schade dan schade wegens verlies van of schade aan de lading. Analoge toepassing van Cargofoor/RTT en Transfennica op spoorvervoer. Bij Wetteren (België) ontspoort een trein met vijf wagons extreem giftig en licht ontvlambaar acrylonitril, doordat wissels met twee keer de toegestane maximumsnelheid worden bereden nadat de machinist een waarschuwingssein heeft ‘gemist’. Er volgen een grote brand, explosiegevaar, milieuverontreiniging en evacuaties; een omwonende overlijdt. DSM, van wie de gevaarlijke stof afkomstig was en in wiens opdracht de vijf beladen wagons werden vervoerd door DB Schenker, biedt hulp aan en assisteert bij de bereddingswerkzaamheden. DSM vordert van contractueel vervoerder DB Schenker BTT en feitelijk vervoerder/ondervervoerder DB Schenker NL dat zij de verloren gegane wagons, de gemaakte bereddingskosten en alle verdere schade als gevolg van het ongeval vergoedt en dat zij DSM vrijwaart van aanspraken van derden. DB Schenker voert onder meer het verweer dat geen verdere schadevergoeding dan voorzien in de CIM/titel 8.18 BW kan zijn verschuldigd, omdat ingevolge artikelen 30 en 41 CIM/8:1578 en 8:1587 BW iedere andere schadevergoeding, op welke grondslag ook, is uitgesloten. Op spoorvervoer van Geleen, door België, naar Hoek-Terneuzen is Cotif-CIM niet dwingendrechtelijk van toepassing. Wel is de CIM als contractueel overeengekomen regime van toepassing. Het contract bevat voorts een rechtskeuze voor Nederlands recht. Voor vorderingen op grondslagen die buiten de vervoerovereenkomst zijn gelegen leidt toepassing van de Rome II Vo tot toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Voor de schade als gevolg van het verloren gaan van de wagons – die blijkens de vrachtbrief onderdeel uitmaakten van de ten vervoer aangeboden lading - is DB Schenker BTT als vervoerder en DB Schenker NL als ondervervoerder aansprakelijk. DB Schenker NL wordt tot vergoeding van deze schade veroordeeld, nu DSM deze vordering, conform de in de wet voorziene keuzemogelijkheid, primair tegen haar instelt. Aan vergoeding van verdere schade staat het dwingende spoorvervoerrecht niet in de weg. De rechtbank ziet geen reden om ten aanzien van het spoorvervoerrecht af te wijken van de door de Hoge Raad ten aanzien van de CMR gevolgde lijn (arresten van 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333 (Cargofoor/RTT) en 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3624 (Transfennica)). De regeling geboden in titel III CIM/afdeling 3 van Titel 8.18 BW ziet, mede gelet op de titel (“Aansprakelijkheid”), opbouw en inhoud daarvan, uitsluitend op de aansprakelijkheid voor de schade ten gevolge van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de goederen vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering, alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering. Het is die aansprakelijkheid waarvoor het slotartikel van voornoemde regeling bepaalt dat vorderingen ter zake, ongeacht de rechtsgrond, slechts kunnen worden ingesteld onder de voorwaarden en beperkingen van de CIM respectievelijk Titel 8.18 BW. Voor de gemaakte bereddingskosten en de overige schade van DSM als gevolg van het ongeval is DB Schenker kwalitatief aansprakelijk voor de door de machinist gemaakte fouten, met dien verstande echter dat waar schadeposten moeten worden gekwalificeerd als schade ten gevolge van verlies of beschadiging van de vervoerde goederen tijdens het vervoer of vertraging in de aflevering, DB Schenker daarvoor niet verder aansprakelijk is dan is voorzien in CIM/titel 8:18 BW. De bereddingskosten staan in voldoende causaal verband met de ontsporing van de trein. Door haar specialistische hulp aan te bieden heeft DSM niet onnodig kosten over zich afgeroepen maar haar maatschappelijke verantwoordelijkheid genomen, en het zou rechtens onaanvaardbaar zijn om dit optreden in het kader van kostenverhaal als ‘eigen schuld’ voor rekening van DSM te laten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken