Rb. Rotterdam 2 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4798

Vaststaat dat de verdachte zich thans als vreemdeling in Nederland bevindt en dat er van uit moet worden gegaan dat uitlevering aan Irak vanwege het ontbreken van een verdragsrelatie met dit land (waar het feit is begaan en waarvan de verdachte onderdaan is) niet mogelijk is. Voorts is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een zeer ernstig misdrijf als moord c.q. doodslag in een land als Irak zonder twijfel strafbaar zal zijn, althans anderszins is niet gebleken. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat Nederland ten aanzien van feit 2 subsidiair rechtsmacht heeft vanaf 1 juli 2014 en dat de officier van justitie in zoverre dus ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Voor zover het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde betrekking heeft op de periode vóór 1 juli 2014 is de officier van justitie wegens het ontbreken van rechtsmacht niet-ontvankelijk in de vervolging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen