Rb. Rotterdam 22 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4694
Bevoegdheidsincident. Incident ex art. 223 Rv (provisionele vordering). Herschikte EEX-Verordening (EEX II-Vo). Verdrag van New York van 10 juni 1958 over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken. Abengoa Bioenergy Netherlands B.V. is door een Spaans filiaal van HSBC Bank PLC aangesproken tot betaling van ruim € 31 miljoen. De vordering is gegrond op de (onbetwiste) stelling dat HSBC vorderingen tot dit bedrag van Nidera heeft overgenomen, die Nidera op Abengoa had omdat Nidera aan Abengoa graan had geleverd. Tussen HSBC en Nidera en Abengoa is daarover een driepartijen (factoring)overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat Abengoa zich verbindt om rechtstreeks aan HSBC te betalen. HSBC maakt bij dagvaarding ook alvast aanspraak op een voorschot, van ruim € 27 miljoen, door middel van een incidentele vordering ex art. 223 Rv. Abengoa betwist dat deze rechtbank bevoegd is om over deze zaak te oordelen. Zij beroept zich op een arbitrageafspraak in de overeenkomsten met Nidera over de graanleveranties. De rechtbank verklaart zich zowel in de hoofdzaak als in het incident ex art. 223 Rv bevoegd. In het incident ex art. 223 Rv wijst de rechtbank vervolgens het door HSBC gevorderde voorschot van ruim € 27 miljoen toe. De mogelijkheid van het vorderen van een voorlopige voorziening is in art. 223 Rv afhankelijk gesteld van het aanhangig zijn van een hoofdvordering in een (bodem)geding. De rechtbank hoeft haar bevoegdheid daarom in dit geval niet - vooraf en zonder inachtneming van haar bevoegdheid in de hoofdzaak - te toetsen aan het bepaalde in art. 35 EEX-II Vo. Dat dit artikel bevoegdheid zou kunnen scheppen indien in een zelfstandige procedure om een voorlopige voorziening was verzocht, doet daaraan niet af. Hoewel Abengoa, nadat vonnis was gevraagd, failliet is verklaard, hadden partijen wel recht op vonnis.
De uitspraak op rechtspraak.nl