Rb. Rotterdam 30 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:3943
Artikel 30 lid 2 (oud) Elektriciteitswet. Taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter. Stelsel van bindende geschilbeslechting van artikel 51 Elektriciteitswet 1998. Geschil over de verschuldigdheid van door Desco aan Stedin betaalde vergoedingen voor systeemdiensten over de periode van 1 januari 2002 tot 1 juli 2011. Vraag is of de zaken moeten worden aangehouden hangende de procedure(s) bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, die de onderhavige geschillen raken. De rechtbank acht het in overeenstemming met de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter en met het stelsel van bindende geschilbeslechting van artikel 51 Elektriciteitswet 1998, dat zij de beslissing van de ACM en – nu daartegen beroep is ingesteld – van het CBb bepalend acht voor de vraag of ten aanzien van Chemours sprake is van strijdigheid met artikel 30 lid 2 (oud) Elektriciteitswet 1998. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1750). Bij strijd met artikel 30 lid 2 (oud) Elektriciteitswet 1998 is volgens Desco sprake van strijd met de openbare orde in de zin van artikel 3:40 lid 1 BW vanwege het fundamentele karakter van het anti-discriminatiebeginsel, zoals dat in diverse bepalingen van de Elektriciteitswet 1998 tot uiting komt. Deze toelichting acht de rechtbank juist. Met het oog op een goede procesorde zal de beslissing van het CBb worden afgewacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl