Rb. Rotterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1618

Beklag ongegrond. Vaststaat dat het SFO en het proces-verbaal ontneming thans (nog) zijn gebaseerd op wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege de tenlastegelegde bedrieglijke bankbreukovertredingen en dat de klager ter zake dit feit door het gerechtshof is vrijgesproken. Echter, het gerechtshof heeft de klager wel veroordeeld ter zake van artikel 177 Sr (omkoping) en vastgesteld dat aan de klager gelieerde vennootschappen daardoor zijn bevoordeeld. De officier van justitie heeft gemotiveerd aangevoerd dat de klager als gevolg daarvan voordeel heeft genoten en dat de ontnemingsvordering op dit voordeel zal worden gebaseerd. Nader onderzoek hiernaar vindt nog plaats. Bij deze stand van zaken kan niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan de klager een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd. Bij dit oordeel is betrokken dat het de officier van justitie in dit stadium van het onderzoek vrij staat om de (grondslag van de) ontnemingsvordering aan te passen of te wijzigen en dat de strafzaak tegen de klager nog niet onherroepelijk is. Daarbij geldt nog dat, anders dan de klager lijkt te menen, voor een verdergaande inhoudelijke toets in de beklagprocedure geen plaats is omdat het dossier dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen