Rb. Rotterdam 26 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8665
In tegenstelling tot hetgeen DNB betoogt, is het vormen van deze reserves uit het eigen vermogen niet aan te merken als het verlenen van een premiekorting in de zin van artikel 129, eerste lid, van de Pw. De daar bedoelde korting wordt immers verleend op de premie die wordt vastgesteld conform artikel 128 van de Pw. Vast staat dat het Pensioenfonds in de jaren 2011, 2012 en 2013 steeds een kostendekkende premie heeft gehanteerd. Dat met de aanwending van het eigen vermogen van het Pensioenfonds voor het onderhouden van de VPL-bestemmingsreserve indirect sprake is van het verlenen van premiekorting, vindt geen grondslag in de Pw. De aanname van DNB dat dit in de jaren vanaf 2007 wel is gebeurd, is gebaseerd op een reconstructie achteraf. Dit betekent dat DNB ten onrechte heeft geconcludeerd dat het Pensioenfonds artikel 129, eerste lid, van de Pw heeft overtreden. Van schending van artikel 105, tweede lid, van de Pw kan eerst sprake zijn indien evident is dat de door het Pensioenfonds gemaakte belangenafweging dusdanig onredelijk is dat de in artikel 105 van de Pw genoemde belanghebbenden zich niet op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. Daarbij komt aan de opinie van het verantwoordingsorgaan, gelet op diens wettelijke samenstelling en taken, meer gewicht toe dan DNB daaraan toekent. Nu het verantwoordingsorgaan zich kan vinden in het door het Pensioenfonds gevoerde beleid en de rechtbank de door het Pensioenfonds gemaakte belangenafweging niet evident onredelijk acht, heeft DNB ten onrechte het standpunt ingenomen dat het Pensioenfonds artikel 105, tweede lid, van de Pw heeft overtreden. Het Pensioenfonds wijst er terecht op dat zij op grond van artikel 2, zesde lid, van de overeenkomst met ingang van 1 januari 2013 niet gehouden is tot inkoop van pensioen over het verleden indien de bestemmingsreserve lager is dan het bedrag dat hiervoor nodig is. Gelezen in samenhang met het vijfde lid, impliceert dit dat de overeenkomst rekening houdt met een situatie waarin het vermogen van het Pensioenfonds niet toereikend is om voldoende geld te reserveren ten behoeve van de VPL-regeling. Ten tijde van het primaire besluit werd derhalve artikel 143, eerste lid, van de Pw door het Pensioenfonds niet overtreden. Ten aanzien van de overige argumenten van DNB in dit verband volstaat de rechtbank met een verwijzing naar hetgeen onder 6.3 is overwogen met betrekking tot de belangenbehartiging. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat DNB zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het Pensioenfonds voormelde artikelen van de Pw heeft overtreden. Nu geen sprake is van een overtreding, was DNB gelet op artikel 171, eerste lid, van de Pw, niet bevoegd een aanwijzing te geven.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 4 Uitvoeringsbesluit pensioenaspecten Sociaal Akkoord 2004
- Artikel 105 Penw.
- Artikel 115 Penw.
- Artikel 116 Penw.
- Artikel 128 Penw.
- Artikel 129 Penw.
- Artikel 132 Penw.
- Artikel 143 Penw.
- Artikel 171 Penw.
- Artikel 65 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
- Artikel 6 Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen