Rb. Rotterdam 10 februari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:833
Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Verweerder heeft verzoeker de toegang tot de gebouwen en terreinen van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Raad van Bestuur ontzegd, met uitzondering van de noodzakelijke plekken die hij als patiënt of bezoeker van een patiënt zou moeten betreden. Tevens zijn verzoeker zijn privileges als emeritus hoogleraar ontnomen. Nu verzoeker niet voor de datum van verzoekers eervol ontslag als promotor was aangemeld voor beide promovendi, is niet voldaan aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 9.19, derde lid, van de WHW. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat verzoeker niet het Ius promovendi heeft met betrekking tot voornoemde promovendi. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit in zoverre naar verwachting in stand zal blijven. De voorzieningenrechter stelt vast dat het Ius promovendi het enige privilege is dat wettelijk is geregeld voor de emeritus hoogleraar. De in artikel 9.57, eerste lid, van de WHW genoemde privileges zijn verbonden aan de status van bijzonder hoogleraar en komen te vervallen bij eervol ontslag, tenzij anders is overeengekomen bijvoorbeeld middels een gastvrijheidsovereenkomst. Op grond van de gastvrijheidsovereenkomsten was verzoeker bevoegd de gebouwen en terreinen van het EMC te betreden en gebruik te maken van de faciliteiten van EMC. Niet in geschil is dat de gastvrijheidsovereenkomsten inmiddels door tijdsverloop zijn beëindigd. De in het bestreden besluit vervatte mededeling van verweerder dat de in dat kader aan verzoeker toegekende privileges niet meer geldig zijn, zodat verzoeker hieraan geen aanspraken meer kan ontlenen, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet op rechtsgevolg gericht. Het bezwaar van verzoeker is in zoverre niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beslissing van verweerder om verzoeker de toegang tot de terreinen en gebouwen van het EMC te ontzeggen, behoudens als patiënt of bezoeker van een patiënt, niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Het betreft hier een privaatrechtelijke rechtshandeling, waarbij verweerder optreedt als beheerder van de universiteit. Tegen een dergelijke maatregel staat niet het in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb bedoelde rechtsmiddel open. De voorzieningenrechter merkt op dat ter zake van deze toegangsontzegging verzoeker uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl