Rb. Rotterdam 12 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8191
Artikel 4:6 Awb. Dat wat bij de aanvraag en in bezwaar naar voren is gebracht vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. De rechtbank overweegt in dit verband dat het willen treffen van een minnelijke schuldregeling in dit verband geen novum oplevert, in het bijzonder ook omdat door de wetgever met artikel 36c, tweede lid, van de Werkloosheidswet is voorzien dat de oplegging van een bestuurlijke boete in de weg zou staan aan deelname aan een schuldregeling. Daargelaten de datum van het echtscheidingsconvenant kunnen de daarin neergelegde afspraken geen gevolgen hebben voor de bevoegdheid van verweerder om over te gaan tot boeteoplegging aan eiseres en voor de bevoegdheid van verweerder om niet terug te komen van zijn besluitvorming. Verder vormt de eerder genoemde uitspraak van de CRvB in dit verband geen novum (zie CRvB 8 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7276 en CRvB 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3327).
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754
- CRvB 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3327
- CRvB 9 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1388
- CBb 19 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA0926
- CRvB 8 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7276
- CRvB 22 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8939
- HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AM3206