Rb. Rotterdam 9 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6757

Samenwoners zonder samenlevingscontract of geregistreerd partnerschap; titel 7 van boek 3 BW is van toepassing; art. 3:166 lid 3 BW: rechtsbetrekking tussen partijen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid; moet de man het bedrag dat de vrouw uit haar privékapitaal heeft geinvesteerd in de verbouwing van de woning van de man terugbetalen?; ook als partijen daaromtrent vooraf niets hebben geregeld, kunnen vergoedingsrechten ontstaan doordat goederen die gedurende de samenwoning tot het eigen vermogen van de een zijn gaan behoren, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd; zowel op grond van de nominaliteitsleer als op grond van de beleggingsleer geldt dat de feitelijke financiering nominaal dient te worden vergoed, tenzij op grond van een overeenkomst of uit de wet anders voortvloeit dan wel een uitzondering gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid op zijn plaats is; op grond van de beleggingsleer (voor gehuwden thans neergelegd in art. 1:87 BW) kan daarnaast nog sprake zijn van een evenredige vergoeding, bijvoorbeeld in verband met overwaarde van een woning, maar dit is in het onderhavige geval niet aan de orde, nu de vrouw alleen het door haar gefinancierde bedrag terugvordert; man heeft niet voldaan aan stelplicht ten aanzien van verweer dat sprake is van een (natuurlijke) overeenkomst tussen partijen; toegewezen worden de kosten betreffen verbouwing of verbetering van de woning; afgewezen worden de kosten die tot het (reguliere) onderhoud van de woning en derhalve tot de kosten van de huishouding moeten worden gerekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen