Rb. Rotterdam 28 augustus 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6242
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Aanwijzing aan een pensioenfonds strekkende tot beëindiging van de door DNB gestelde overtreding van artikel 150 van de Pensioenwet (PW). Niet in geschil is dat op het pensioenfonds sinds 31 december 2011 artikel 150 van de Pw van toepassing is, nu op 31 december 2011 een kortetermijnherstelplan van kracht was. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het pensioenfonds de door de DNB gestelde termijn heeft overschreden en daarmee artikel 150, aanhef en onder b, van de Pw heeft overtreden. Nu sprake is van een overtreding van artikel 150 van de Pw, is DNB bevoegd het pensioenfonds een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 171, eerste lid, van de Pw ter beëindiging van deze overtreding. De voorzieningenrechter volgt het pensioenfonds niet in zijn standpunt dat DNB in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid een aanwijzing te geven. Dat het pensioenfonds voor het verzekeren of overdragen van de pensioenverplichtingen afhankelijk is van anderen, betekent gelet op de resultaatsverplichting niet dat DNB geen termijnen mag stellen waarbinnen dit moet gebeuren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door DNB gestelde termijnen redelijk zijn. De grond dat geen sprake is van een evenwichtige belangenafweging door DNB en dat het overdragen van de pensioenverplichtingen voor 31 december 2015 leidt tot schade bij belanghebbenden van het pensioenfonds faalt. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit naar verwachting in de hoofdzaak in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl