Rb. Rotterdam 24 juli 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6173

Bestuurlijke boete aan onderneming en twee feitelijk leidinggevenden vanwege overtreding van het bankverbod. Tevens vroegtijdige openbaarmaking van het boetebesluit. In geschil is of de activiteiten voldoen aan de bestanddelen “voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen” en “bedrijf maken van” uit de definitie van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van “kredietuitzettingen aan een ander” die tot doel hebben daarvoor een op geld waardeerbaar voordeel te verkrijgen. Hieruit volgt dat sprake is van kredietuitzettingen voor eigen rekening. Verder heeft DNB geen onjuiste invulling gegeven aan het bestanddeel “bedrijf maken van”. De rechtbank is met DNB van oordeel dat aan de vermelde criteria is voldaan en dat van feitelijk leidinggeven aan de overtreding sprake is. Het subsidiaire betoog dat de overtreding eisers niet kan worden verweten, omdat zij zich gedurende het gehele proces van de onderscheiden emissies hebben laten bijstaan door specialisten vanuit diverse disciplines, faalt. In hetgeen de twee feitelijk leidinggevenden hebben aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat de aan hun opgelegde bestuurlijke boete verder dient te worden gematigd tot € 75.000,- voor elk van hun (in plaats van € 100.000,-). DNB heeft zich in de aanvullende besluiten voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van één van de in artikel 1:97, vierde lid, van de Wft genoemde omstandigheden die aan volledige openbaarmaking van de boetebesluiten in de weg staan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken