Rb. Rotterdam 20 augustus 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6049

Bevoegdheidsverdeling bestuursrechter en kinderrechter inzake beroep en dwangsom bij niet tijdig beslissen. Gelet op het samenstel van de in art. 4:19 Awb vervatte regels en de strekking daarvan, moet in gevallen waarin het besluit waarop de gevraagde dwangsom betrekking heeft wordt genomen ingevolge Boek I BW en de verzoekschriftprocedure als bedoeld in Rv openstaat bij de kinderrechter, ook het eventuele rechtsmiddel inzake de (beoogde) dwangsombeschikking bij die rechter wordt ingesteld. Hetzelfde heeft te gelden voor het rechtsmiddel wegens het (veronderstelde) niet tijdig nemen van een beschikking inzake een dwangsom (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797 en ABRvS 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Hieruit volgt dat de bestuursrechter niet toekomt aan de vraag of het hiervoor geschetste wettelijke kader er – reeds hierom – aan in de weg staat dat de bestuursrechtelijke bepalingen ter zake van de dwangsom bij niet tijdig beslissen overeenkomstig worden toegepast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken