Rb. Rotterdam 30 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3486
De AFM heeft aan [verzoekster] een bestuurlijke boete van € 100.000,- opgelegd wegens overtreding van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) [marktmanipulatie]. Voorts heeft zij besloten tot openbaarmaking. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de handelwijze van [verzoekster] verboden is en geen legitieme handelspraktijk kan zijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gerede twijfel mogelijk over de vraag of de handelwijze van [verzoekster] een overtreding oplevert van artikel 5:58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wft. In het verlengde hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerede twijfel mogelijk over de vraag of het handelen van [verzoekster] erop was gericht de koers van de aandelen te brengen op een kunstmatig niveau, een niveau dat niet het gevolg was van een integer proces van vraag en aanbod. Gelet hierop heeft het bezwaar van [verzoekster] tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen en ziet de voorzieningenrechter aanleiding de openbaarmaking van het bestreden besluit te schorsen. Het valt niet uit te sluiten dat de AFM op grond van nader onderzoek of een aanvullende motivering haar standpunt na bezwaar kan handhaven. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen die geldt tot zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van [verzoekster].
De uitspraak op rechtspraak.nl