Rb. Rotterdam 3 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2290
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Gelet op de nauwe onderlinge betrokkenheid tussen eisers heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat betrokkenen in een zakelijk samenwerkingsverband staan en niet slechts in een familierelatie, zoals door hen is betoogd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat door [eiser 2] gepleegde (vermoedelijk) strafbare feiten op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, in samenhang met het vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob, [eiser 1] kunnen worden aangerekend. De door [eiser 2] (vermoedelijk) gepleegde geweldsdelicten hangen in voldoende mate samen met de activiteiten waarvoor de vergunningen zijn aangevraagd. Geen duidelijkheid verschaft over de financiering van de onderneming. Voldoende grondslag voor de conclusie dat verweerder bevoegd was om de aan [eiser 1] verleende exploitatievergunning en de DHW-vergunning ten behoeve van [onderneming 1] in te trekken.
De uitspraak op rechtspraak.nl