Rb. Rotterdam 16 januari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:174
Artikel 19 van de MiFID laat de lidstaten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om een vergunning als bedoeld in artikel 5 van deze richtlijn te weigeren op de door de AFM in het bestreden besluit genoemde gronden. Dat in het eerste lid van artikel 19 van de MiFID in algemene zin wordt gesproken over de belangen van de cliënten en dat daarin de bewoordingen “met name” voorkomen, neemt niet weg dat het tiende lid van dit artikel er geen misverstand over laat bestaan dat een uniforme toepassing van (ook) het eerste lid moet worden gewaarborgd, wat in de weg staat aan het stellen van aanvullende voorwaarden voor vergunningverlening door de lidstaten. Overweging 5 van de preambule van de MiFID, waarin is vermeld dat er een allesomvattend regelgevingskader voor de uitvoering van transacties in financiële instrumenten moet worden vastgesteld, wijst eveneens in de richting dat de MiFID strekt tot volledige harmonisatie van de voorwaarden voor het verrichten van beleggingsactiviteiten en –diensten die onder het toepassingsbereik van deze richtlijn vallen, waaronder het aanbieden van binaire opties. Overweging 4 van de preambule van de MiFID Uitvoeringsrichtlijn vermeldt dat een uniforme toepassing van de MiFID nodig is om ervoor te zorgen dat beleggingsondernemingen onder dezelfde voorwaarden gelijke toegang hebben tot alle markten in de Europese Unie. Eiseres betoogt terecht dat hiermee niet valt te rijmen dat de AFM een vergunning weigert omdat zij het aanbieden van binaire opties ongewenst en in strijd met de Wok acht, terwijl ondernemingen die zijn gevestigd in andere lidstaten wel kunnen beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de MiFID voor het aanbieden van binaire opties, ook in Nederland. Het standpunt van de AFM dat zij geen vergunning wenst te verlenen voor het aanbieden van een kansspel nu eiseres niet beschikt over de daarvoor vereiste vergunning kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan als een aanvullende voorwaarde voor het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de MiFID. Dat de Wok legitieme en deels andere doelen dient dan de MiFID, zoals de AFM benadrukt, betekent niet dat de MiFID de AFM ruimte laat voor het weigeren van de gevraagde vergunning. Gesteld noch gebleken is dat artikel 4 van de MiFID Uitvoeringsrichtlijn de AFM daartoe wel de mogelijkheid biedt, reeds nu niet is gebleken van een melding als bedoeld in het derde lid van dat artikel. Overigens voorziet niet alleen de Wok, maar ook de MiFID in bescherming van de afnemers van financiële instrumenten die tevens kwalificeren als kansspel en wordt het beschermingsniveau van de MiFID door de Uniewetgever tot op heden toereikend geacht.
De uitspraak op rechtspraak.nl