Rb. Rotterdam 27 februari 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:1306

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de S&O-verklaringen te corrigeren en of verweerder terecht aan eiseres een boete van € 0,- heeft opgelegd. Om van deze bevoegdheden gebruik te kunnen maken moet allereerst zijn vastgesteld dat niet is voldaan aan artikel 24, eerste lid, van de Wva. De rechtbank zal dus eerst beoordelen of verweerder terecht heeft vastgesteld dat de administratie van eiseres niet voldoet aan het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van de Wva, dat is uitgewerkt in artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling waaruit volgt dat uit de administratie op eenvoudige en duidelijke wijze de aard, inhoud en voortgang van het speur- en ontwikkelingswerk moet zijn af te leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat de overgelegde administratie van eiseres daar niet aan voldoet. Dit vindt voldoende onderbouwing in het definitieve controlerapport waarin de door eiseres overgelegde administratie is opgesomd per document, met daarbij vermeld de betrokken S&O-medewerker en de datum voor zover dit uit het document blijkt. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft geoordeeld in de uitspraak van 27 januari 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP5140) is het aan eiseres om, indien zij van mening is dat de beschikbaar gestelde gegevens voldoende zijn om vast te stellen dat sprake is van speur- en ontwikkelingswerk, in beroep concreet aan te geven uit welke gegevens dat dan blijkt. Eiseres heeft dit evenwel nagelaten. Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan artikel 24, eerste lid, van de Wva, was verweerder bevoegd op grond van artikel 25, derde lid, van de Wva de afgegeven S&O-verklaringen te corrigeren. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Uit artikel 25, derde lid, van de Wva volgt dat correctie mag geschieden naar de omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk, zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht. Gelet op de aard en bewoordingen van dit wettelijk criterium komt verweerder bij de toepassing van deze bepaling een grote beoordelingsruimte toe. Zoals het CBb heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 22 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:204) overschrijdt verweerder de grenzen van die ruimte in beginsel niet door, mede in verband met het zeer grote aantal aanvragen dat jaarlijks beoordeeld moet worden en de daarmee gegeven noodzaak van een hanteerbaar controlesysteem, aan het begrip ‘onvoldoende aannemelijk’ een ruime uitleg te geven en bij deze toets zeer terughoudend te zijn in het aannemen dat S&O-werk daadwerkelijk is verricht. Het ligt bovendien op de weg van de aanvrager om, indien hij meent dat verweerders beoordeling op dit punt geen stand kan houden, dit aan de hand van andere feiten en omstandigheden en eventueel verdere administratie aannemelijk te maken. Dit heeft eiseres niet gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten tot voornoemde correctie van de afgegeven S&O-verklaringen. Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan artikel 24, eerste lid, van de Wva, heeft verweerder op grond hiervan aan eiseres, die over de oplegging van de boete geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd, een boete van € 0,- kunnen opleggen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken