Rb. Rotterdam 19 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9591

Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 12 januari 2002 (NJ 2002/371) en 13 juni 2003 (NJ 2004/196) geldt tussen de potentiële rechthebbenden op een bedrag dat is gestort op de rekening van een stichting derdengelden van een advocatenkantoor een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW die het recht op uitkering van het gestorte bedrag omvat. Dat brengt mee dat ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling kan vorderen en dat recht dus niet aan verjaring onderhevig is. De stichting derdengelden heeft het op haar rekening gestorte bedrag betaald aan een pandhouder, terwijl op dat moment nog niet was voldaan aan de voorwaarden voor uitbetaling. De stichting derdengelden wordt veroordeeld het gestorte bedrag alsnog aan de uiteindelijke rechthebbende te betalen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen