Rb. Rotterdam 17 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9408
Artikel 3:251 BW procedure. Opeisbaarheid onderliggende vordering wordt betwist door schuldenaar. Uitwinningsbevoegdheid en pandhouderschap worden betwist door belanghebbende partij aan wie vordering van verzoekster verpand is, die stelt dat het onderliggende zekerheidsrecht daardoor op haar is overgegaan. Artikel 3:251 BW ziet in beginsel alleen op wijze van verkoop. Omdat een hogere voorziening tegen de beschikking op het verzoek niet is toegelaten (NJ 1995,367), kan het verzoek alléén kan worden toegewezen als onomstotelijk vaststaat dat verzoekster pandhouder is en bevoegd tot parate executie. Dat kan op dit moment niet worden vastgesteld zodat het verzoek wordt afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl