Rb. Rotterdam 10 september 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7537
Vorderingen in conventie van Stedin tot vergoeding van schade (advocaatkosten) en wettelijke rente wegens het niet tijdig betalen van overeengekomen bedragen worden afgewezen, omdat niet is vast komen te staan dat er sprake is van onrechtmatig handelen door Du Pont respectievelijk dat Du Pont in verzuim is geraakt. Vordering in reconventie van Du Pont om te verklaren voor recht dat de Overeenkomst inzake aansluiting en transport en elektriciteit, de Verhuurovereenkomst en/of de Vaststellingsovereenkomst strijdig zijn met de artikelen 10 lid 9, 16 lid 1 onder a, b, c, e, f en j, 27 lid 2 onder e, 28 leden 1 en 2 en artikel 29 van de Elektricteitswet 1998 en de artikelen 2.2.1, 2.3.1, 2.4.1 en 3.2.1 van de TarievenCode Elektriciteit in onderlinge samenhang, wordt afgewezen. Ten aanzien van de Verhuurovereenkomst geldt dat de transformatoren waarover het geschil gaat in ieder geval geen deel uitmaken van het openbare net van Stedin. Ten aanzien van de Aansluitovereenkomst is overwogen dat Du Pont deze overeenkomst heeft ondertekend en er geen aansluit- en transportovereenkomst tussen Stedin en Desco bestaat. De partij die met de netbeheerder contracteert en met het net van Stedin is verbonden heeft te gelden als afnemer op het net van Stedin. Ten aanzien van de Vaststellingsovereenkomst is bepaald dat er geen sprake is van strijd met de door Du Pont genoemde wetsbepalingen. Voor zover er al strijd zou bestaan met enige dwingende wetsbepaling geldt dat in een vaststellingsovereenkomst daarvan kan worden afgeweken. Er is immers geen sprake van strijd met de goede zeden of de openbare orde; er zijn uitsluitend vermogensrechtelijke posities vastgesteld. Daar komt nog bij dat de Vaststellingsovereenkomst inmiddels volledig tussen partijen is uitgevoerd, mede op vordering van Du Pont, met uitzondering van de in artikel 1.1. van die Vaststellingsovereenkomst genoemde vestiging van het opstalrecht.
De uitspraak op rechtspraak.nl