Rb. Rotterdam 31 januari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:689
Door wisselend te verklaren over zijn identiteit en nationaliteit, heeft de vreemdeling de Staat der Nederlanden in een positie gebracht waarin het voor de Staat der Nederlanden onmogelijk is gebleken om hem te begeleiden bij terugkeer dan wel om hem gedwongen uit te zetten. Nu de vreemdeling Nederland niet uit eigen beweging heeft verlaten, terwijl gesteld noch aannemelijk geworden is dat hem dat onmogelijk was, en hij ook geen medewerking heeft verleend aan de pogingen van de Staat der Nederlanden om hem te doen terugkeren naar het land van herkomst, heeft de vreemdeling zichzelf in een positie gebracht waarin hij bij iedere invrijheidsstelling opnieuw artikel 197 Sr overtreedt. Daar zij aan toegevoegd dat de Staat der Nederlanden verplicht is om de vreemdeling na ommekomst van zijn vrijheidsbenemende straf in vrijheid te stellen omdat de Staat der Nederlanden zich anders schuldig maakt aan onrechtmatige vrijheidsbeneming. Het is aan de vreemdeling zelf te wijten, en dus toe te rekenen, dat zijn invrijheidsstelling (nog steeds) in Nederland plaatsvindt. Vordering afgewezen. Subsidiaire vordering niet ontvankelijk, nu een met voldoende waarborgen omkleedde bestuursrechtelijke weg openstaat inzake het verzoek om (tijdelijke) opheffing van de ongewenstverklaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl