Rb. Rotterdam 10 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5535
Geschilbeslechting ogv art 8:25ea Wet luchtvaart naar aanleiding van de afwijzing door Schiphol van het verzoek van een vliegtuigmaatschappij die gebruik maakt van de luchthaven Schiphol om vluchten disconnected af te handelen (dat is zonder gebruik van aviobruggen; passagiers moeten zelf van en naar het toestel lopen en via een trap het vliegtuig in- of uitstappen). ACM heeft vastgesteld dat de door Schiphol gehanteerde criteria voor toewijzing van standplaatsen (aan de H-pier) voor disconnected afhandeling wat betreft de beperking van de toegang tot de H-pier tot vliegtuigmaatschappijen als geheel en het vereiste van een maximale omdraaitijd niet voldoen aan het in art 8:25ea, lid 2, Wet luchtvaart neergelegde relevantievereiste. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in overeenstemming met art 8:25ea, lid 2, Wet luchtvaart en art 10, lid 2, van Richtlijn 2009/12/EG, omdat deze criteria relevant zijn voor zover de vraag het aanbod overtreft, maar niet meer voor zover er na de verdeling op basis van deze criteria capaciteit resteert. De rechtbank vernietigt het besluit voor zover ACM de eis van uitputtende toetsing aan alle criteria heeft gesteld, omdat deze eis geen grondslag vindt in art 8:25ea Wet luchtvaart, art. 10 van de Richtlijn of uit enige andere rechtsregel valt af te leiden.
De uitspraak op rechtspraak.nl