Rb. Rotterdam 3 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5232

Openbare waarschuwing. DNB heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat er sprake was van een overtreding van artikel 2:11 Wft. Gelet op deze overtreding was DNB bevoegd om o.g.v. art. 1:94 van de Wft een openbare waarschuwing uit te vaardigen. DNB heeft op 30 oktober 2012 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten een spoedwaarschuwing uit te doen gaan. Bij het onderzoek ter plaatse op 29 oktober 2012 bleek uit verklaringen van de externe accountant dat er onzekerheid bestond over de continuïteit van zowel eiseres als haar moedermaatschappij en de de ontwikkeling van de liquiditeitspositie over 2013 van eiseres onzeker was. Daarbij wilde eisers, terwijl er sprake was van een overtreding van artikel 2:11 Wft door middel van nieuwe emissies gelden aantrekken. Na de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening van eisers bij uitspraak van 31 oktober 2012 had DNB deze spoedwaarschuwing ook mogen publiceren. DNB heeft dat niet meteen na ontvangst van de utspraak gedaan. In de uren dat DNB heeft gewacht met publicatie heeft eiseres zich alsnog bereid verklaard de emissies niet te laten plaatsvinden. Gelet op de betrokkenheid van de RvC bij deze toezegging lat het naar het oordeel van de rechtbank niet langer n de reden om na die verklaring nog voer te gaan tot het ingrijpende middel van de publicatie van de openbare waarchuwing. Het directe gevaar voor benadeling van meer consumenten was met deze toezegging geweken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen