Rb. Rotterdam 14 mei 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:3683

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het advies van Verhagen van 6 januari 2012 niet een advies in de zin van artikel 3, derde lid, van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Hardinxveld-Giessendam is. Het college had de daarin voorgeschreven procedure dan ook niet hoeven volgen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil is beperkt tot de vraag of de schade ten gevolge van de bestemmingswijziging van burgerwoning in bedrijfswoning voor rekening van [eiser] dient te blijven wegens passieve risicoaanvaarding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in navolging van het advies van Verhagen van 6 januari 2012 ten onrechte geconcludeerd dat bij die bestemmingswijziging sprake is van passieve risicoaanvaarding. De rechtbank heeft het college niet gevolgd in diens op dat advies gebaseerde standpunt dat [eiser] uit de ambtelijke adviezen die ten grondslag liggen aan de hem op 11 augustus 1998 verleende bouwvergunning voor de desbetreffende woning had kunnen afleiden dat slechts medewerking aan het bouwplan zou worden verleend als de in het bestemmingsplan toegestane burgerwoning en bedrijfswoning samengevoegd zouden worden tot één bedrijfswoning. Om die reden heeft het college het advies van Verhagen niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2013 vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen ervan in stand te laten. De rechtbank heeft het college gevolgd in zijn ter zitting en in het verweerschrift, onder verwijzing naar het aanvullend advies van Verhagen van 23 juli 2013, ingenomen standpunt dat de schade tot het normale maatschappelijke risico behoort en om die reden ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro voor rekening van [eiser] dient te blijven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken