Rb. Rotterdam 25 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:3171
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de boete wegens overtreding van artikel 2:80, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft) in een wanverhouding staat in relatie tot de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid. Bij de bepaling van de hoogte van de boete dienen alle omstandigheden te worden meegewogen, zoals geen benadeling van consumenten, niet de intentie om toezichtwetgeving te ontduiken, onmiddellijke staking van activiteiten en medewerking aan onderzoek. Omzet niet van doorslaggevende betekenis. Vergelijking met andere ‘leadproviders’ niet zodanig dat daaraan consequenties dienen te worden verbonden. Publicatie van de boete blijft geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl