Rb. Rotterdam 3 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2578

Verweerder heeft in de stukken of ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat in het kader van een pilot ook andere bijzondere onderzoeken zijn gestart of zullen starten, bijvoorbeeld naar buitenlands vermogen van alle bijstandsgerechtigden met een willekeurig andere afkomst. Met de nu gekozen selectiecriteria maakt verweerder dan ook direct onderscheid. Vervolgens is de vraag of deze ongelijke behandeling ook als discriminatie moet worden aangemerkt. Mede gelet op de restrictieve rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over met name direct onderscheid naar ras en etniciteit (zie onder meer EHRM 13 december 2005, ECLI:NL:XX:2005:AV1501 en EHRM 22 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL1978) beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat voor het gemaakte directe onderscheid geen objectieve of redelijke rechtvaardiging was. Niet is gebleken dat er een specifieke aanleiding was om de pilot te richten op bijstandsgerechtigden met een Marokkaanse afkomst, nog daargelaten of zo’n aanleiding voldoende rechtvaardiging kan vormen voor een dergelijk onderscheid. Het voorgaande betekent dat sprake is van verboden onderscheid naar nationaliteit, ras dan wel etniciteit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken