Rb. Rotterdam 27 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2137

Onder verwijzing naar de uitspraak van heden, ECLI:NL:RBROT:2014:2135, is voor de periode van 2 november 2009 tot en met 17 juni 2013 voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres en belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk de woning van eiseres bewonen in verband waarmee eiseres op grond van artikel 10 van de Verordening in samenhang met het Protocol gebruikelijke zorg, niet in aanmerking komt voor huishoudelijke zorg op grond van de Wmo. Verweerder heeft de rapportage van de bevindingen van het op 24 mei 2013 gehouden huisbezoek in het kader van een nieuwe aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand mogen betrekken bij de beoordeling en gelet op die bevindingen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er ook na februari 2012 nog sprake was van duurzaam gemeenschappelijke bewoning van de woning van eiseres door eiseres en belanghebbende, zodat er aanleiding bestond voor beëindiging van het pgb voor huishoudelijke zorg. Aangezien verweerder de aan eiseres toegekende pgb met ingang van 20 juli 2009 heeft herzien en teruggevorderd, is het bestreden besluit over de periode van 20 juli 2009 tot 2 november 2009 genomen in strijd met het motiveringsbeginsel omdat er met betrekking tot die periode in de aan de rechtbank overgelegde gedingstukken onvoldoende bewijs is voor het standpunt dat er sprake was van duurzaam gemeenschappelijk bewonen van een woning door eiseres en belanghebbende. Het beroep is dan ook gegrond, en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen