Rb. Rotterdam 11 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1952
Bezwaarschrift tegen weigering rc getuige te horen. In de bijzondere omstandigheden van dit geval ziet de rechtbank aanleiding om na te gaan of de rechter-commissaris in redelijkheid tot een juiste afweging van de verschillende betrokken belangen is gekomen. De rechtbank twijfelt niet alleen aan de mogelijkheid een zinvolle verklaring af te leggen, maar heeft tevens ernstige twijfel of de getuige in staat zal zijn de betekenis en de draagwijdte van het haar op grond van artikel 217 van het Wetboek van Strafvordering toekomende verschoningsrecht te begrijpen. Begrip van het verschoningsrecht is noodzakelijk, temeer nu haar verklaring belastend kan zijn voor zowel haar zoon als haar man. De rechtbank verwacht ook niet dat die twijfel redelijkerwijs zou kunnen worden weggenomen. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank zich vinden in het oordeel van de rechter-commissaris dat een verhoor van de getuige niet zinvol is. Voornoemde complicatie maakt tevens dat het risico bestaat dat een verhoor van mevrouw als getuige, ook indien dit niet in het kabinet van de rechter-commissaris, maar in een voor haar vertrouwde omgeving zou plaatsvinden, voor haar onevenredig bezwarend zou blijken te zijn. Bezwaar ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl