Rb. Rotterdam 12 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1875

Zeerecht; beperking van aansprakelijkheid. Schuldeiser doet hetzij bij indiening van de vordering bij de vereffenaar hetzij ter verificatievergadering beroep op ontbreken van rechtsmacht en op onbevoegdheid van de rechtbank. Toepasselijk recht. Procesrechtelijke onderwerpen in het kader van procedures tot beperking van aansprakelijkheid in Nederland, in het kader waarvan een beperkingsfonds is gevormd, dienen ingevolge artikel 14 van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen 19 november 1976, aangepast bij Protocol van 2 mei 1996 (LLMC) te worden behandeld volgens het recht van de staat waar het fonds is gevormd, derhalve in dit geval Nederlands recht van toepassing. 1. Het kader van de verificatie van vorderingen voor de r-c leent zich niet voor de beoordeling van een beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid van de rechtbank te behandelen, mede omdat de r-c is benoemd door de rechtbank. 2. Heeft schuldeiser Baltic Cable (BC) bij het indienen van haar vorderingen tegen verzoekers tot beperking [verzoeker 2] cs en Wagenborg beroep gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank? BC heeft haar vorderingen bij de vereffenaar ingediend bij twee brieven, onder toezending van een Nederlandse vertaling van de “claims form” (dagvaarding) waarin [verzoeker 2] cs en Wagenborg werden opgeroepen om voor het gerecht te Malmö, Zweden, te verschijnen. Ingevolge artikel 3:59 BW gelden de regels van de artikelen 3:33 en 3:35 BW ook ten aanzien van stukken als de brieven en die dagvaarding waarbij BC haar vorderingen indiende bij de vereffenaar. De r-c oordeelt dat en waarom noch in die brieven, noch in die dagvaarding (voldoende duidelijk) het standpunt is ingenomen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is, zodat de vereffenaar daaraan redelijkerwijs de zin mogen toekennen dat geen beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid werd gedaan. 3. Kan een schuldeiser ter verificatievergadering voor het eerst beroep doen op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank? Volgens de algemene regel is voldoende, maar tevens noodzakelijk dat de partij die gebrek aan rechtsmacht of onbevoegdheid van de rechter inroept dat doet in het eerste door haar ingediende schriftelijke stuk, of, zo zij mondeling ter terechtzitting antwoordt, bij dat mondelinge antwoord. Die regel beoogt een goede procesorde te bevorderen en strekt ertoe te voorkomen dat na debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding, de verweerder in een laat stadium van het geding nog zou kunnen opwerpen dat de rechter op grond van regels die wegens hun zuiver processuele aard die rechtsbetrekking zelf niet raken, niet tot een beoordeling van het geschil omtrent de rechtsbetrekking kan komen (vgl.: HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1361; artikelen 110 lid 1, 128 lid 3 en 1022 lid 1 Rv). Hoe zit dat in een procedure tot beperking van aansprakelijkheid? Een specifieke regeling daarvoor is niet opgenomen in de wet. Een beroep op onbevoegdheid kan reeds worden gedaan in de eerste fase van de beperkingsprocedure, waarin wordt beslist over het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voorshands is beperkt en omtrent de vraag of hij in plaats van storting van dat bedrag kan volstaan met zekerheidstelling en, in het laatste geval, op welke wijze deze zekerheidstelling dient te geschieden (vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1522 – ‘Vertrouwen’ TX68; HR 1 mei 1981, NJ 1981/605 – ‘Blue Hawk’). In de memorie van toelichting op artikel 320r lid 3 (oud) Rv, dat overeenstemt met het huidige artikel 642r lid 2 Rv, wordt gesteld “[..] het derde lid doet duidelijker uitkomen, dat de betwisting niet alleen hoeft te slaan op de verificatie van een vordering, doch eveneens betrekking kan hebben op het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid in het algemeen, de bevoegdheid van de rechtbank enz.” (Kamerstukken II, vergaderjaar 1986-1987, 18 770, nr. 3, blz. 15). Het gaat in dat artikel over de renvooiprocedure. Daaruit valt af te leiden dat in de renvooiprocedure een beroep op onbevoegdheid kan worden gedaan, nadat een schuldeiser de bevoegdheid eerder heeft betwist. In het arrest betreffende de ‘Vertrouwen’TX68 overwoog de Hoge Raad onder meer: “Dit neemt evenwel niet weg dat een belanghebbende tegen het verzoek tot beperking van de aansprakelijkheid ook bezwaren kan aanvoeren die naar zijn opvatting reeds dadelijk tot de slotsom leiden dat het verzoek moet worden afgewezen of de verzoeker daarin wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onverminderd zijn bevoegdheid die bezwaren voor het eerst in de renvooiprocedure naar voren te brengen of deze, zo zij niet zijn gehonoreerd, daarin te herhalen.” (r.o. 3.3). Daaruit leidt de r-c af dat een schuldeiser een beroep op onbevoegdheid in de renvooifase voor het eerst kan voeren en dat geen verplichting bestaat zodanig beroep in de eerste fase, of bij het indienen van de vordering ter verificatie te doen. Omdat het in het kader van de verificatie van vorderingen voor de r-c niet past om een beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid te behandelen en het mogelijk is om in de renvooiprocedure voor het eerst zodanig beroep te doen, ontvalt het processueel belang van schuldeiser en verzoekers bij een beslissing van de r-c over die onderwerp. Volgt verwijzing van partijen naar de renvooiprocedure t.a.v. de vordering van de schuldeiser.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken