Rb. Rotterdam 30 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3448
Vader en zoon (eiser) wijzen elkaar aan als eigenaar van de onderneming waarop de boetes wegens overtreding van hygiënevoorschriften betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank moet eiser als exploitant van een levensmiddelenbedrijf in de zin van artikel 4 lid 2 Verordening (EG) 852/2004 in verbinding met artikel 2 lid 2 van die verordening en artikel 3 lid 3 Verordening (EG) nr. 178/2002 worden aangemerkt. De rechtbank acht de eerdere eenduidige verklaringen van eiser en zijn vader in dit verband van doorslaggevend belang. Daaruit volgt dat eiser de leiding had over het levensmiddelenbedrijf en als verantwoordelijke voor de naleving van de in de levensmiddelenwetgeving vastgestelde voorschriften kan worden aangemerkt. Overschrijding redelijke termijn is voor de helft aan eiser toe te schrijven (indiening bij verkeerde rechtbank en niet overleggen bestreden besluit). Een matiging met 5 % van ieder boete zou leiden tot een matiging van totaal € 180. De rechtbank ziet aanleiding om het totale boetebedrag van € 3600 te korten met € 500 analoog aan de hoogte van de immateriële schadevergoeding die zou volgen als geen boete zou kunnen worden opgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl