Rb. Rotterdam 14 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA0078

einduitspraak na tussenuitspraak (LJN: BW9825). Verweerder heeft gebrek aan het bestreden besluit, dat ziet op de voornaamste kenmerken van het product, nu voldoende hersteld. Het ticket is een vordering op naam. Hoewel het ticket in de praktijk vaak een functie als toondervordering zal hebben, blijft het ticket juridisch gezien een vordering op naam. Alleen als partijen bij het aangaan van de overeenkomst afspreken dat de betreffende vordering aan toonder gesteld zal zijn, dan is sprake van een toonderstuk. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat aangenomen kan worden dat - gelet op de algemene voorwaarden waarin een onoverdraagbaarheidsbeding is opgenomen - in het onderhavige geval niet is overeengekomen dat het ticket van de KNVB of van Teleticketservice een bewijs aan toonder is. Nu het een vordering op naam betreft, heeft artikel 6:146 van het BW geen toepassing en hoeft de beperking van de overdracht niet uit het papier kenbaar te zijn. Uit overweging 3 van het arrest van 17 januari 2003 van de HR (LJN: AF0168) volgt tevens dat de onoverdraagbaarheid - zoals in casu geregeld in de KNVB standaardvoorwaarden en de algemene voorwaarden van Teleticketservice - aan een opvolger kunnen worden tegengeworpen, zelfs als hij er niets van af wist. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder het gebrek in de motivering van het invorderingsbesluit van 9 november 2011 niet heeft hersteld. Verweerder heeft niet nader onderbouwd dat de KNVB standaardvoorwaarden van toepassing zijn op wedstrijden georganiseerd door de UEFA en daarmee staat dan ook niet vast dat de onoverdraagbaarheid geregeld in die KNVB standaardvoorwaarden van toepassing is op de betreffende tickets. Zelf in de zaak voorziend, herroept de rechtbank het invorderingsbesluit van 9 november 2011.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen