Rb. Rotterdam 11 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8776

AFM heeft een bestuurlijke boete opgelegd van € 50.000 wegens overtreding van artikel 4:23 lid 1 Wft. Eiseres bestrijdt tevergeefs dat sprake is van recidive. Vaststaat immers dat voor een eerdere en vergelijkbare overtreding van een aangesloten onderneming aan eiseres een boete is opgelegd. Eiseres heeft in die boete berust zodat deze onaantastbaar is geworden. Daarvan uitgaande was eiseres al eerder overtreder en is er sprake van recidive. AFM heeft aan [D] en [E] voor dezelfde soort gedragingen een bestuurlijke boete opgelegd van € 500 wegens geringe draagkracht. AFM heeft weliswaar bij eiseres een zeer forse matiging toegepast - namelijk een neerwaartse bijstelling tot 5% van het vanwege recidive verhoogde basisbedrag -, doch het eindresultaat - een boete van 50.000 - blijft in een groot en niet onderbouwd contrast staan met de boetes van € 500. In aanmerking genomen dat eiseres ten tijde van de boeteoplegging weliswaar een negatief resultaat had, maar dat zij niet in een volledig vergelijkbare positie verkeert als [D] en [E], omdat zij, gelet op de bij haar aangesloten ondernemingen, in een groter verband opereert en omdat er sprake is van recidive, ziet de rechtbank aanleiding met het oog op het gelijkheidsbeginsel enerzijds en evenredige boetevaststelling anderzijds aanleiding voor een halvering van de aan eiseres opgelegde boete. Van een boete van € 25.000 gaat in het onderhavige geval nog voldoende afschrikwekkende werking uit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen