Rb. Rotterdam 28 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5824

De Rb. heeft vragen gesteld aan de Europese Commissie omdat er onduidelijkheid was over de toepasselijkheid van o.a. de Vrijstellingsbeschikking en het DEAB-besluit op het vervoer over binnenwateren. Naar aanleiding van de antwoorden van de Europese Commissie komt de Rb. tot de conclusie dat de Vrijstellingsbeschikking en het DEAB-besluit in deze casus niet van toepassing zijn. “Art. 2, lid 5 van het DEAB-besluit bepaalt dat dit besluit niet van toepassing is op staatsteun […] in de sector van het vervoer over land”. Volgens de Commissie (9.3) moet daaronder verstaan worden”vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren”. Verordening (EG) nr. 1370/2007 is evenmin van toepassing nu Nederland ervoor heeft gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid de werkingssfeer van de verordening uit te breiden tot vervoersdiensten over de binnenwateren. Vervolgens heeft de Rb. getoetst aan de Altmark-criteria en komt tot de conclusie dat niet voldaan is aan alle criteria. Een daarvan is dat het interstatelijk handelsverkeer niet beïnvloed wordt. “De Rb. is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is van beïnvloeding van het interstatelijk handelsverkeer. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Altmark onder punten 77-79 overwogen dat het geenszins uitgesloten is dat een overheidssubsidie die wordt verleend aan een onderneming welke enkel plaatselijke of regionale vervoersdiensten verricht en geen vervoersdiensten levert buiten de Staat van vestiging, niettemin gevolgen kan hebben voor het handelsverkeer tussen lidstaten”. “Met betrekking tot het vierde criterium is de keuze voor de uitvoerder DEAB niet gemaakt op basis van een aanbestedingsprocedure en is ten behoeve van de berekening van de exploitatiebijdrage niet getoetst of de door de veerdienst Gorinchem ingeschatte kosten voor de voorliggende perioden overeenkomen met de kosten van een gemiddelde, goed beheerde onderneming. “De Rb. is van oordeel dat, nu de Vrijstellingsbeschikking noch het DEAB-besluit van toepassing is, verweerder gelet op de constatering dat niet aan alle Altmarkcriteria is voldaan, een melding had moeten doen bij de Commissie en, op grond van het bepaalde in art. 108, lid 3 VWEU de maatregel niet alvast had mogen uitvoeren. “Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het primaire besluit, voor zover dat ziet op de aanwijzing van de interne dienst van verweerder als uitvoerder van de veerverbinding wordt herroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen