Rb. Rotterdam 14 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ4632

Met betrekking tot de schadevergoeding wegens schending van artikel 6 van het EVRM overweegt de rechtbank dat in geval van overschrijding van de redelijke termijn daadwerkelijke spanning en frustratie, die aanspraak geeft op schadevergoeding, in beginsel wordt verondersteld. Slechts wanneer sprake is van concrete omstandigheden die aanleiding vormen om te twijfelen aan de aanwezigheid van spanning en frustratie, kan dit anders zijn. Uitgaande van de in de rechtspraak ontwikkelde uitgangspunten, zou de schadevergoeding in dit geval € 2.000,00 bedragen (€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, met afronding naar boven). De rechtbank ziet evenwel aanleiding voor matiging van de schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000,00. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiseres in een periode van drie jaar kennelijk op geen enkel moment aanleiding heeft gezien bij verweerder navraag te doen naar de stand van zaken over deze bezwaarprocedure (en de bezwaarprocedure in de zaak met als zaaknummer DOR 12/947), terwijl in beide zaken al op 13 juli 2009 een hoorzitting had plaatsgevonden. De rechtbank neemt daarom aan dat in minder dan gemiddelde mate sprake is geweest van spanning en frustratie, veroorzaakt door het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. Verder gaat zij ervan uit dat de mate van spanning en frustratie niet in negatieve zin is beïnvloed doordat naast deze zaak nog een andere procedure aanhangig was (DOR 12/947). Immers, beide procedures hangen nauw met elkaar samen en betreffen grotendeels overlappende kwesties. Verder heeft de rechtbank bepaald dat verweerder, voor zover het resterende terug te vorderen bedrag van € 1.107,69 nog niet in zijn geheel door verweerder is ingevorderd, het nog in te vorderen bedrag in mindering mag brengen op de aan eiseres te betalen schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen