Rb. Rotterdam 7 maart 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ4170
Toepassing bestuursdwang terzake van het in strijd handelen met diverse artikelen uit de Flora- en faunawet. Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 17 juni 2011 in opdracht van eiseres werkzaamheden zijn verricht aan de noordelijke vloeivelden te Zevenbergen om water van de vloeivelden af te laten. De uitvoerder heeft daartoe een dam afgegraven en sleuven gegraven om de hoeveelheid water, welke sinds 14 mei 2011 (de plaatsing van de dam) was afgedamd, sneller af te voeren naar de nabijgelegen sloot. In de vooraankondiging bestuursdwang van 28 juni 2011 heeft verweerder aangegeven dat de werkzaamheden per direct gestaakt dienen te worden en pas mogen worden hervat, wanneer onderzoek uitwijst dat geen verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden. Bij brief van 1 juli 2011 heeft eiseres aan verweerder laten weten dat de werkzaamheden zijn gestaakt. Hierbij heeft eiseres de hieronder genoemde quick-scan overgelegd. Hoewel eiseres in oktober 2010 blijkens de quick-scan Koekoeksedijk Zevenbergen, gemeente Moerdijk, onderzoek heeft laten doen welke natuurwaarden in het kader van de Flora- en faunawet aanwezig zijn op de vloeivelden en derhalve op de hoogte was van de in het gebied aanwezige flora- en fauna, is eiseres tijdens het voortplantingsseizoen en zonder het treffen van (preventieve) maatregelen, zoals het laten vangen van in het gebied aanwezige dieren door een deskundige en deze in een ander geschikte biotoop uit te laten zetten, gestart met bovengenoemde werkzaamheden. De rb. is reeds hierom van oordeel dat eiseres niet heeft gehandeld overeenkomstig de in artikel 2 van de Flora- en faunawet genoemde zorgplicht, zodat verweerder bevoegd was het bestreden besluit, voor zover daarbij het primaire besluit 2 in stand is gelaten, te nemen. De door verweerder gestelde strijdigheid met de artikelen 9, 10, 11 en 12 van de Flora- en faunawet behoeft dan ook geen bespreking. Verweerder heeft voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontwatering van de bassins gegronde vrees bestond voor botulisme waardoor aanleiding bestond zo spoedig mogelijk tot toepassen van bestuursdwang over te gaan. De rb. is van oordeel dat, onder de gegeven feiten en omstandigheden, zoals die uit de diverse door verweerder overgelegde rapportages blijkt, van eiseres mocht worden verwacht dat zij een begin van (tegen)bewijs zou leveren voor haar stelling dat geen gegronde vrees bestond voor botulisme. Eiseres heeft echter geen begin van (tegen)bewijs geleverd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid aan art. 5:31, eerste lid, van de Awb toepassing kunnen geven.
De uitspraak op rechtspraak.nl