Rb. Rotterdam 21 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2096
Wrakingsverzoek afgewezen. Dat het door [naam advocaat] ingediende verzoekschrift ex art 33, lid 2 van de WTBZ is aangebracht bij de onderhavige voorzieningenrechter is de geëigende rechtsgang en de rechter was in deze ook bevoegd de zaak inhoudelijk te behandelen. Voor verwijzing van de zaak naar een bodemprocedure, zoals verzoeker heeft voorgesteld, biedt de WTBZ dan ook geen mogelijkheden. Het gegeven dat de administratieve gang van zaken rondom de verzoekschriftprocedure kennelijk niet geheel vlekkeloos is verlopen en de griffie in eerste instantie verzuimd heeft om aan verzoeker een afschrift te sturen van het door [naam advocaat] ingediende verzoek-schrift, vormt evenmin een reden om aan te nemen dat sprake is van vooringenomenheid of schijn daarvan aan de zijde van de rechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl