Rb. Rotterdam 10 oktober 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:7953

Hoewel artikel 47 van het Uitvoeringbesluit de kop draagt ‘Fusie uitvoerders’, en ook de toelichting bij dat artikel spreekt over een juridische fusie, moet naar de tekst van die bepaling worden uitgegaan van de situatie waarin een uitvoerder het vermogen heeft gekregen van een uitvoerder die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar is opgehouden onder een categorie te vallen. Deze tekst sluit aan bij de situatie waarop artikel 84 van de Pensioenwet ziet, te weten de collectieve waardeoverdracht bij liquidatie van de pensioenuitvoerder. Het gaat er dus om dat de verkrijgende uitvoerder het vermogen verkrijgt van een uitvoerder die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar is geliquideerd. De liquidatie van SPM heeft eind 2012 plaatsgevonden, zodat aan de eisen van artikel 47 van het Uitvoeringbesluit is voldaan. Het standpunt van PMA dat DNB voor dat deel van 2012 waarin SPM nog onder toezicht van DNB stond nog een heffing aan SPM had kunnen en moeten opleggen volgt de rechtbank evenmin. Niet alleen ziet artikel 44, tweede lid, van het Uitvoeringbesluit op de situatie dat een deel van opgelegde heffing wordt terugbetaald, terwijl aan SPM, toen zij ophield onder een categorie te vallen, over 2012 nog geen heffing was opgelegd, zodat van terugbetaling geen sprake kan zijn, doch voorziet artikel 47 van het Uitvoeringbesluit specifiek op de situatie dat kosten in rekening worden gebracht bij de verkrijgende pensioenuitvoerder vanwege het verkrijgen van vermogen van een fonds dat in het lopende jaar is opgehouden onder toezicht te staan. Op het tijdstip waarop het primaire heffingsbesluit werd genomen stond SPM niet langer onder toezicht van DNB, zodat is voldaan aan de voorwaarden tot toepassing van artikel 47 van het Uitvoeringbesluit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken