Rb. Rotterdam 29 augustus 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:6601
Tabakswet. Boete. Ontbreken cautie. Werkgever of zelfstandige? Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de minister in beginsel mag afgaan op de verklaringen van eiseres en haar dochter ten tijde van de inspectie, is de rechtbank van oordeel dat uit de reeds in bezwaar door eiseres overgelegde stukken kan worden afgeleid dat ten tijde van de inspectie sprake was van de oprichting van een vennootschap onder firma. Daar komt bij dat eiseres ten tijde van de inspectie heeft verklaard dat zij bezig was om haar bedrijf om te schrijven naar een vennootschap onder firma, hetgeen wordt ondersteund door de nadien overgelegde stukken, waaronder de voornoemde voorschotnota. Voorts kan de minister reeds gelet op artikel 22 van het Wetboek van Koophandel en de hiervoor aangehaalde bepalingen uit de Handelsregisterwet 2007 niet worden gevolgd in zijn standpunt dat maatgevend voor het kunnen aannemen dat sprake is van een vennootschap onder firma het tijdstip van inschrijving bij de Kamer van Koophandel is. De minister heeft de in bezwaar overgelegde stukken derhalve ten onrechte ongemotiveerd ter zijde gesteld. Voor zover er twijfel bestaat omtrent de precieze datum van oprichting van de vennootschap dient dit in het voordeel van eiseres te strekken. Op de minister rust immers de bewijslast aan te tonen dat sprake is van een overtreding waartegen punitief kan worden opgetreden. Omdat de onderhavige gebodsnorm zich richt tot de werkgever zal de minister derhalve moeten aantonen dat eiseres ten tijde in geding als werkgever moest worden aangemerkt (vgl. EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002/88 (Janosevic) en ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:234).
De uitspraak op rechtspraak.nl