Rb. Rotterdam 16 mei 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:6233
Alle benodigde informatie voor het op juiste wijze indienen van de verantwoordingsinformatie stond ter beschikking van eiser. Verweerder heeft ter zitting bovendien terecht betoogd dat het op de weg van eiser lag om bij eventuele onduidelijkheden nadere informatie in te winnen of om hulp te vragen bij het invullen van de verantwoording. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser onvoldoende heeft gereageerd op diverse signalen waaruit eiser heeft kunnen blijken dat de bij verweerder over eiser bekende informatie onjuist dan wel onvolledig was, waaronder de brief van 28 september 2011. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat deze brief niet tijdig op het juiste bureau terecht is gekomen en binnen de gestelde termijn is beantwoord, voor rekening en risico van eiser komt. Gelet op de aard en hoeveelheid van de door eiser verstrekte en naar aanleiding van de brief van 28 september 2011 te controleren informatie, kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat de geboden reactietermijn - tot en met 4 oktober 2011 - te kort is, noch dat verweerder aldus onzorgvuldig heeft gehandeld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het verweerschrift en ter zitting genoegzaam betoogd dat de plausibiliteitscontrole niet verder gaat dan een toets door het CBS of op de plaats waar in de kruisjeslijst een kruisje staat ook daadwerkelijk een getal is ingevoerd. Het bieden van een herstelmogelijkheid om de rechtmatigheid van de gedane uitgaven op een later moment - in bezwaar - alsnog te verantwoorden verdraagt zich niet met het uitgangspunt van het systeem van jaarlijkse verantwoording, waarbij de rechtmatigheid van de gegevens uiterlijk op 15 juli van het daarop volgende jaar moet zijn aangetoond. De CRvB heeft in de uitspraak van 22 november 2012 (LJN: BY4347) geoordeeld dat het buitenwettelijk beleid, dat een college fouten die na het inzenden van de verantwoordingsinformatie worden ontdekt binnen een redelijke termijn alsnog kan corrigeren via de Minister van BZK, consistent is toegepast. In onderhavige zaak ziet de rechtbank, gelet op de herstelmogelijkheid geboden in de brief van 28 september 2011, geen aanleiding om anders te oordelen. Het beroep is derhalve ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl