Rb. Rotterdam 7 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:6229
De rechtbank is van oordeel dat in voldoende mate vaststaat dat het dier de verwonding reeds had voor het transport en dat deze verwonding ertoe leidde dat het dier zich niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen of zonder hulp lopen. In beginsel dient van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport te worden uitgegaan. De enkele stelling van eiseres dat niet uit te sluiten is dat het gebrek aan het dier pas tijdens het transport is ontstaan noopt - in het licht van de uitgebreide en goed gedocumenteerde diergeneeskundige verklaring - niet tot afwijking van dit uitgangspunt. Voor zover eiseres met haar stellingen betoogt dat verweerder haar in de gelegenheid had moeten stellen contra-expertises te doen uitvoeren, slaagt dit betoog niet. Titel 5.2 van de Awb en de hier overigens van toepassing zijnde regelgeving bevat immers geen verplichting daartoe. Vaststaat dat de normale bedrijfsvoering van eiseres bestaat uit het vervoeren van koeien. De gedragingen hebben in die sfeer plaatsgevonden en zijn dus toe te rekenen aan eiseres. Nu eiseres haar beroep op rechtsongelijkheid met betrekking tot de toepassing van de Transportverordening tussen Nederland en andere landen op geen enkele wijze heeft onderbouwd, kan dit beroep reeds daarom niet slagen. De wetgever heeft reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Transportverordening, de Gwwd en de Regeling bestuurlijke boetes Gwwd gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn - staat voorop. De hoogte van de boete als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. De rechtbank is van oordeel dat van feiten of omstandigheden voor matiging van het boetebedrag niet is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl