Rb. Rotterdam 17 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5504

Bevoegdheidsincidenten. Internationale en relatieve bevoegdheid. Schadevergoedingsvorderingen ogv vier nationale liften- en roltrappenkartels (Nederland, Duitsland, België, Luxemburg). Inbreuk op art. 81 EG-Verdrag (thans art. 101 VWEU). Aan elk kartel hebben deelgenomen de nationale dochtervennootschappen van de betreffende concerns. Daarnaast zijn gedagvaard de twee moederbedrijven binnen elk van deze concerns, waarvan het ene is gevestigd in Finland en het andere in Duitsland. Terwijl de dochtervennootschappen in de Beschikking van de Europese Commissie wegens hun feitelijke deelname aan het betreffende kartel aansprakelijk zijn gesteld ogv art. 81 EGV hebben genoemde moederbedrijven volgens de Commissie inbreuk gemaakt op art. 81 EGV ogv hun ‘parental liability’, een afgeleide aansprakelijkheid. Slechts één Nederlands dochterbedrijf is gevestigd in het rechtsgebied van de aangezochte rechter, de rechtbank Rotterdam. Het andere Nederlandse dochterbedrijf is gevestigd in het rechtsgebied van de rechtbank Den Haag. Niettemin is de rechtbank Rotterdam op grond van een stilzwijgende forumkeuze relatief bevoegd ten aanzien van deze andere Nederlandse gedaagde. In geschil is (oa) of bevoegdheid bestaat ogv art. 6 sub 1 EEX-Vo (pluraliteit van verweerders). De rechtbank neemt uitsluitend bevoegdheid aan tav de gedaagden die aansprakelijk zijn wegens het Nederlandse kartel. Ogv art. 6 sub 1 EEX-Vo acht de rechtbank zich bevoegd tav het moederbedrijf van de Nederlandse dochter die gevestigd is in het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam. Vanwege de kans op onverenigbare beslissingen acht de rechtbank zich buiten art. 6 sub 1 EEX-Vo om ook bevoegd tav het buitenlandse moederbedrijf van de Nederlandse dochter die gevestigd is in het rechtsgebied van de rechtbank Den Haag. Geen bevoegdheid ex art. 5 sub 3 EEX-Vo (onrechtmatige daad).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen