Rb. Rotterdam 15 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5245
Artikel 7a van de Wet Big is gewijzigd per 1 juli 2012. Uit de memorie van toelichting, Tweede Kamer vergaderjaar 2009-2010, 32261, nr.3, pg. 9.e.v. blijkt dat er met voornoemde wijziging voor is gekozen zo veel mogelijk aan te sluiten bij het reeds bestaande systeem van artikel 42, eerste lid, van de Wet BIG. Dit houdt in dat hier te lande geen herbeoordeling plaatsvindt van het incident dat tot de beperking in de beroepsuitoefening heeft geleid. Niettemin zouden zich in een individueel geval zulke uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen, dat automatische overname van een in het buitenland opgelegde maatregel tot een zeer onbillijk resultaat leidt. De voorzieningerechter overweegt hiertoe het volgende in rechtsoverweging 6.2. Verweerders standpunt dat jegens verzoeker geen herbeoordeling heeft plaats gevonden als in 6.1 bedoeld, geeft blijk van een te beperkte uitleg van wat in een (overgangs)situatie als de onderhavige onder heroverweging of herbeoordeling moet worden verstaan. De beslissing van de GMC van 21 mei 2009 is, in het kort weergegeven, gebaseerd op het onderzochte alcoholgebruik door verzoeker en op het geconstateerde gebrek aan medewerking van verzoeker bij het verschaffen van door de GMC gevraagde actuele informatie over zijn bekwaamheid als arts. Uit de brief van 10 november 2009 aan verzoeker blijkt dat de IZG de documenten van de GMC heeft doorgenomen. Verder blijkt uit die brief dat de IZG beide voormelde aspecten in het onderzoek heeft betrokken. In die brief concludeert de IZG dat bij haar niet langer het vermoeden bestaat dat er bij verzoeker sprake is van een verslavingsprobleem. Inzake het andere aspect heeft de IZG verzoeker in die brief geadviseerd lering te trekken uit het gebeurde en in voorkomende gevallen coöperatief en transparant op te treden. Geconstateerd moet verder worden dat er na dit onderzoek geen aanleiding is gevonden om aan verzoeker een beperking in zijn beroepsuitoefening in Nederland op te leggen. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn (kennelijke) opvatting dat de wetgever mede het oog heeft gehad op een dergelijke situatie. Die opvatting heeft geleid tot het ten onrechte niet, althans in een te beperkte mate, afwegen in het bestreden besluit van alle door verzoeker gestelde feiten en omstandigheden in het kader van de vraag of aanleiding bestaat toepassing te geven aan artikel 7a van de Wet BIG.
De uitspraak op rechtspraak.nl