Rb. Rotterdam 11 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5042
De rechtbank ziet geen aanleiding in de onderhavige zaak anders te oordelen dan zij de in de uitspraak van 13 juni 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079) heeft gedaan. Uit de “voor akkoord”- ondertekening blijkt geen kenbare, voor rechter toetsbare afweging van de officier van justitie. Deze afweging door de officier van justitie dient gemaakt te worden op het moment van de verstrekking en dient op dat moment ook te blijken. Deze afweging kan niet achteraf gemaakt worden. Die kenbare, toetsbare afweging dient ook in het geval van een standaardverstrekking te worden gemaakt. Verweerster heeft in het onderhavige geval niet aan haar vergewisplicht voldaan. De vergewisplicht gaat immers verder dan het toestemming vragen en het verkrijgen van een “voor akkoord”-ondertekening door de officier van justitie en kan zeker niet achteraf ingevuld worden. Verweerster mocht in dit geval de telefoontaps niet gebruiken als bewijs. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij geen aanwijzingen had van mogelijke overtredingen van de Mw bij het inzamelen van het zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied en dat zonder de informatie afkomstig van VROM-IOD er geen onderzoek zou zijn gestart. Gelet hierop en nu de bewijsvoering, zoals deze blijkt uit het bestreden besluit, geheel is geënt op de informatie verkregen met de ter beschikking gestelde tapverslagen of ter beschikking gestelde documenten of verklaringen na confrontatie met de tapverslagen en/of documenten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewezen dat de overtreding is begaan, zodat verweerster niet de bevoegdheid toekomt aan eiseressen een boete op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl