Rb. Rotterdam 13 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:4343

Aanvraag als bedoeld in artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart in verband met een geschil over de door Schipol met ingang van 1 november 2011 vastgestelde tarieven en voorwaarden voor luchtvaartactiviteiten. Verweerder heeft vastgesteld dat de eenheidstarieven start- en landingsgelden en Passenger Service Charge (PSC) die gerekend kunnen worden bij het gebruik van Schiphol Oost door general-aviationgebruikers onredelijk zijn en daarom in strijd zijn met artikel 8.25d, tweede lid, van de Wet luchtvaart. De rechtbank acht verweerders uitgangspunt juist dat een tarief onredelijk is als het hanteren van een eenheidstarief voor verschillende prestaties indirect discriminerend is doordat dat het een wanverhouding vertoont in relatie tot de groep gebruikers die in ruil voor hetzelfde tarief minder prestaties of prestaties van mindere kwaliteit ontvangt dan de rest van de gebruikers. Verweerder heeft de tarieven beoordeeld aan de hand van vier ¬methodes: internationale benchmarking, aan de hand van kwaliteitsindicatoren, op basis van onderliggende kosten en op basis van de voor de tarieven geboden diensten en faciliteiten. Geen van de door verweerder gemaakte vergelijkingen biedt volgens de rechtbank voldoende grondslag voor het oordeel dat de in dit beroep aan de orde zijnde tarieven niet redelijk zijn. De rechtbank volstaat met een enkele vernietiging, omdat de rechtbank niet uitsluit dat verweerder bij het opnieuw beslissen op bezwaar eiseres alsnog in de gelegenheid zal stellen om de kosten nader te onderbouwen en aan de hand daarvan alsnog een vergelijking op basis van de onderliggende kosten uitvoert en met het oog op eventuele toekomstige geschillen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen