Rb. Rotterdam 22 november 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:CA3894

Einduitspraak verzoek om voorlopige voorziening inzake spoedwaarschuwing en stille curatele. De voorzieningenrechter doet thans gelet op de door DNB gestelde onverwijlde spoed en - belangrijker - de omstandigheid dat partijen hierdoor niet in hun belangen worden geschaad nu zij reeds hun standpunten op een zitting naar voren hebben gebracht en verzoekers schriftelijk hebben kunnen reageren op de door DNB ingebrachte stukken op de voet van art. 8:83 Awb uitspraak zonder nadere zitting. Van de zijde van [de onderneming] is ter zake van het besluit tot spoedpublicatie aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van art. 1:96 lid 3 Wft en dat sprake is van een gewijzigde situatie, omdat DNB na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2012 niet onverwijld is overgegaan tot publicatie doch eerst nadat door [de onderneming] was toegezegd dat zij bereid was emissie V te bevriezen, welke emissie voor DNB aanleiding was om tot spoedpublicatie over te gaan. Gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 oktober 2012 staat vooralsnog vast dat DNB bevoegd was om over te gaan tot spoedwaarschuwing wegens overtreding van art. 2:11 lid 1 Wft en de aankondiging van een nieuwe emissie. In zoverre faalt het betoog. Nu de desbetreffende emissie (voorafgaande aan de publicatie) is bevroren bestond geen noodzaak meer tot (handhaving van) de spoedpublicatie. Het betoog slaagt in zoverre. De voorzieningenrechter volgt het betoog van verzoeksters dat de aan [de onderneming] geboden termijn voor het geven van een zienswijze dermate kort is geweest dat tenminste kan worden betwijfeld of is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 1:76, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wft. Voorts betwijfelt de voorzieningenrechter of DNB in redelijkheid aanstonds heeft kunnen grijpen naar het middel van (stille) curatele zonder eerst een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 1:75 van de Wft, ook genoemd in artikel 1:76, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wft. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband voorts dat van een noodzaak tot direct ingrijpen door middel van een curator thans onvoldoende is gebleken (vgl. Rb. Rotterdam (vzr.) 30 oktober 2007, LJN BC8584). Bovendien hebben verzoeksters er niet ten onrechte op gewezen dat in zoverre sprake is van een onomkeerbare situatie nu met de invoering van artikel 1:25d van de Wft DNB en haar organen niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de eventuele schade die ontstaat door onrechtmatig ingrijpen door DNB, tenzij deze schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld. Bij de belangenafweging in het kader van artikel 8:81 van de Awb kan aan dit aspect niet voorbij worden gegaan. Beide besluiten van DNB worden geschorst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen