Rb. Rotterdam 31 oktober 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:CA3846
Spoedwaarschuwing door DNB. De voorzieningenrechter doet gelet op art. 8:83 lid 4 Awb uitspraak zonder partijen voorafgaand uit te nodigen voor een zitting. Daartoe wordt het volgende in aanmerking genomen. In onderhavig geval heeft DNB gebruik gemaakt van de bevoegdheid (tot het nemen van een besluit) tot het uitvaardigen van een spoedwaarschuwing. Deze spoedwaarschuwing als bedoeld in het derde lid van art. 1:96 Wft moet worden onderscheiden van de waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid. Dit betekent dat in het onderhavige geval niet tenminste vijf werkdagen zitten tussen het besluit en tenuitvoerlegging ervan en dat niet van rechtswege een schorsende werking uitgaat van het indienen van een verzoek om van een voorlopige voorziening. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de toepassing door DNB van het derde lid van art. 1:96 Wft niet reeds tot gevolg dat de mogelijkheid tot het verzoeken en het eventueel treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 8:81 Awb wordt afgesneden. Slechts indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een wettelijke of feitelijke grondslag voor het bestreden besluit ontbreekt bestaat er aanleiding tot het treffen van een voorziening (zoals is verzocht). Indien een onderneming gelden aantrekt en uitzet binnen het concern geldt onder strikte in art. 3:2 Wft opgenomen voorwaarden dat het verbod van art. 2:11 lid 1 Wft niet van toepassing is. Niet in geschil is dat die uitzondering niet aan de orde is.
De uitspraak op rechtspraak.nl