Rb. Rotterdam 4 december 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY9476

Verzoekster heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend na afloop van de in de last opgenomen begunstigingstermijn en voorts nadat de gehele dwangsom is verbeurd. Nu de indiening van een verzoek hangende de begunstigingstermijn ertoe kan strekken dat de aangeschreven persoon of onderneming eerst een voorlopig rechtmatigheidsoordeel van de voorzieningenrechter verkrijgt omtrent de lastoplegging alvorens aan de last wordt voldaan, zal een (tijdelijke) schorsing van de begunstigingstermijn aan de orde kunnen zijn in die gevallen dat het verzoek zo spoedig mogelijk wordt ingediend, dat wil zeggen (ruimschoots) voordat de begunstigingstermijn is verstreken. In een geval waarin de dwangsom reeds is verbeurd, kan een dergelijk motief niet meer voorliggen en zal een dergelijke voorziening niet in de rede liggen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet de invoering van de Vierde tranche Awb niet af aan bovenstaande. Uit de artikelen 5:37 en 5:39 van de Awb volgt niet dat het uitgangspunt, dat de voorzieningenrechter in beginsel geen voorziening treft omtrent rechtsgevolgen die reeds zijn ingetreden vóór de indiening van het verzoek, zou moeten worden verlaten. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de schorsing van een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:37 van de Awb – dat thans (nog) niet voorligt – minder ver strekt dan de schorsing van een in de last vervatte begunstigingstermijn. Omdat het verzoek mede betrekking heeft op het besluit tot openbaarmaking en de verbeurte van dwangsommen nog niet heeft geleid tot de uitvoering van die beslissing, kan verzoekster met haar verzoek wel bereiken dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel velt over de vraag of AFM over mag gaan tot openbaarmaking van de last. In dat verband kan door verzoekster de redelijkheid van de geboden begunstigingstermijn aan de orde worden gesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen