Rb. Rotterdam 7 december 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY7877
Last onder bestuursdwang wegens overtreding van artikel 3 van de Spoorwegwet op grond waarvan beperkingen zijn gesteld aan het rijden met locomotieven van ondermeer het type G1206. Verweerder heeft de last bij de ondernemingen mogen neerleggen. Omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de oorzaken van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde incidenten niet duidelijk was, was dat op dat moment – tegenover het volledig buiten gebruik stellen van de delen van de hoofdspoorweg waar de problemen zich hebben voorgedaan – maatschappelijk gezien een minder belastende manier om het gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Spoorwegwet te voorkomen. Door de last tot nader order te laten duren, terwijl ruim vijf maanden na het opleggen van de last nog steeds geen definitief uitsluitsel over de oorzaak van de incidenten is gegeven, is de last, voor zover die aan verzoekster is opgelegd, onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen veiligheidsbelangen. Verzoekster wordt immers bijzonder zwaar getroffen door de last, nu al haar locomotieven van het type G1206 zijn en het soort werkzaamheden dat zij uitvoert op het spoor veelvuldig rangeren met zich meebrengt. De voorzieningenrechter schorst het besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl