Rb. Rotterdam 5 december 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY6598

Beslissing op vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI). De vordering van het openbaar ministerie is tijdig ingediend als bedoeld in art. 15d lid 6 Sr. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vordering. De eerste grond om tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling over te gaan (ernstige misdraging na aanvang van de tenuitvoerlegging van de straf ex art. 15d lid 1 sub b Sr) is onvoldoende, althans onvoldoende helder onderbouwd. Ten aanzien van de tweede grond overweegt de rechtbank dat het recidiverisico voor misdrijven op dit moment onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 15d lid 1 sub d Sr. Het geheel achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling acht de rechtbank echter niet wenselijk. Het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld voor een periode van 4 maanden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen