Rb. Rotterdam 25 oktober 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BY4563

Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of de opgelegde straf evenredig is aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Verweerder heeft eiser zwaar mogen aanrekenen dat hij softdrugs in zijn bureaulade heeft bewaard en niet ter vernietiging heeft aangemeld, die drugs in de kliniek heeft gebracht en heeft gegeven aan een oud-collega, die daar onder behandeling was, en dit plaatsvond onder werktijd en in uniform. Eiser heeft ruiterlijk en van meet af aan erkend dat hij onjuist heeft gehandeld en heeft de volle verantwoordelijkheid voor zijn handelen op zich genomen. Gelet hierop is van een strafverzwarende omstandigheid ook in zoverre geen sprake. Verweerder heeft eiser kunnen aanrekenen dat hij het plichtsverzuim heeft gepleegd onder werktijd en in uniform. Tevens is relevant dat verweerder de kliniek op de hoogte heeft moeten stellen van de handelwijze van eiser, hetgeen het aanzien van het korps heeft geschaad. De rechtbank merkt dit aan als een strafverzwarende omstandigheid. Tegenover het voorgaande staat dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat eiser zich bewust is geweest van de (mate van) onjuistheid van zijn handelen en de ernst daarvan, en dat niet is gebleken dat zijn handelen gericht was op eigen gewin of gebruik. In zoverre lijkt het beleid van verweerder - genaamd “Drugsgebruik door politiemedewerkers” en inhoudende een zero tolerance-beleid ten aanzien van bezit en gebruik van drugs - niet te zijn toegeschreven op de situatie waarin eiser zich bevond en zijn beweegredenen om het plichtsverzuim te plegen. Eiser was ten tijde van het primaire besluit ruim 55 jaar oud en was op het moment van het plegen van het plichtsverzuim ongeveer 31 jaar bij verweerder in dienst. Zijn betoog dat hij verminderde kansen heeft op de arbeidsmarkt, komt de rechtbank niet als onjuist voor. Deze beide omstandigheden moeten als strafverlichtende omstandigheden worden aangemerkt. De duur van dit onderzoek acht de rechtbank niet onredelijk lang en kan dus niet als strafverlichtende omstandigheid worden aangemerkt. Verweerder heeft zich weliswaar op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser het vertrouwen dat de korpsbeheerder in hem moest kunnen stellen ernstig heeft beschaamd en ook afbreuk heeft gedaan aan het beeld van een betrouwbaar en integer politiekorps waar het publiek op mag rekenen, doch de gekozen disciplinaire straf moet als onevenredig worden aangemerkt aan het gepleegde plichtsverzuim.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen