Rb. Rotterdam 12 oktober 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BX9986

Vonnis in derde Somalische piratenzaak. De verdachte is in de wateren bij Somalië aangetroffen op de Feddah, een Iranese vissersboot. Deze boot bleek later bij een eerdere gelegenheid te zijn gekaapt. Nederlandse mariniers benaderden de Feddah om poolshoogte te nemen. Vervolgens is er over en weer geschoten. De verdachte wordt vervolgd voor zeeroof en een poging tot moord op de Nederlandse mariniers. De recht­bank heeft geoordeeld dat Nederland ook voor de poging tot moord rechtsmacht heeft. Ook alle andere niet-ontvankelijkheidsverweren zijn verworpen. Bij het beantwoorden van de vraag of de feiten bewezen konden worden heeft de rechtbank geconstateerd dat het opsporingonderzoek niet altijd de vrije loop heeft kunnen hebben. In het opsporingsonderzoek is namelijk noodgedwongen veel aandacht geweest voor defensiebelangen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat dit uiteindelijk van invloed is op de vraag of de feiten bewezen konden worden. De verdachte is veroordeeld tot viereneenhalf jaar gevangenis­straf voor zeeroof. De verdachte is vrijgesproken van de poging tot moord. Niet kan worden vastgesteld wie heeft geschoten. De officier van justitie betoogde dat dit niet uitmaakt, omdat het gegeven dat de verdachten bij de zeeroof samenwerkten maakt dat zij ook samenwerkten bij de poging tot moord. Dit betoog wordt in het vonnis niet gevolgd. Dit zou volgens de rechtbank leiden tot een te algemene en te collectieve invulling van het medeplegen, welke onvoldoende recht doet aan de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte die in het Nederlandse strafrecht nog steeds het uitgangspunt vormt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen